Droge Ogen NL

Droge ogen als gevolg van refractieve chirurgie

Droge ogen kunnen worden veroorzaakt door verschillende iatrogene interventies, waaronder lokale of systemische medicatie, het dragen van contactlenzen, chirurgische en niet-chirurgische procedures. Erkend als belangrijke oorzaken van droge ogen (DED), werden deze iatrogene factoren behandeld in de 2007-editie van de Tear Film and Ocular Surface Society (TFOS) ¹ (www.tearfilm.org) en herbekeken in de editie 2017.
visual droge ogen refractieve chirurgie

Incidentie en prevalentie

LASIK

De incidentie van droge ogen-symptomen na laserchirurgie (LASIK) varieert aanzienlijk. Bovendien is ze mede afhankelijk van het bestaan van droge ogen voor de ingreep en in welke gradatie. 2-11

Bij 157 ogen van 109 patiënten die ontevreden waren na LASIK, waren slecht zicht (63,1%) en droge ogen (19,1%) de belangrijkste klachten, 2,6 tot 2,8 jaar na de operatie5. In een recent onderzoek werd traanfilmdisfunctie geïdentificeerd als de meest voorkomende reden om
na refractieve chirurgie van zorginstelling te veranderen.12

PRK

Studies suggereren zowel dat PRK minder droge ogen induceert dan LASIK13,14, als vice versa11,15. De meeste chirurgen erkennen dat PRK-geopereerde ogen qua zicht het meest fluctueren binnen de eerste maand na de operatie. Dit kan te wijten zijn aan geïnduceerde droge ogen, maar even goed aan aan langdurige centrale epitheliale hermodellering, na de procedure voor oppervlakteverwijdering.

Diegenen die stellen dat PRK minder droge ogen induceert dan LASIK, rapporteren vaak alleen laesies aan de uiteinden van het hoornvlieszenuw, wat leidt tot een snellere regeneratie met PRK, maar er is niet duidelijk vastgesteld dat er retrograde zenuwdegeneratie optreedt.13,14

SMILE

Verschillende studies suggereren dat er minder verandering was in de gevoeligheid van het hoornvlies en de zenuwdichtheid, evenals minder postoperatieve droogheid na SMILE dan na LASIK6,16-18. Dit wordt toegeschreven aan het feit dat de meer oppervlakkige zenuwvezels in de SMILE-procedure meer ontzien worden.

De risicofactoren voor OSD (Ocular Surface Disease) of droge ogen na LASIK omvatten:

  • Schirmer-testwaarden onder de 10 mm11,19,20
  • dragen van contactlenzen21 op lange termijn
  • preoperatief gebruik van mitomycine-C22
  • Aziatische etniciteit
  • deel uitmaken van het vrouwelijk geslacht
  • grotere ablatie-diepte en een nauwere articulatie van de corneale flap. 4,8,19,20,23-26

De meeste studies zijn het erover eens dat droge ogen als gevolg van LASIK opnieuw opduiken na het losmaken en opheffen van de cornea bij herbehandeling27,28, maar een onderzoek in Japan heeft dit niet bevestigd29.

Onderliggende mechanismen

De meeste droge ogen symptomen die vóór refractieve chirurgie optreden zijn te wijten aan het evaporatieve type van DED, als gevolg van obstructie van de meiboomklier, Meibomian Gland Disease 2,8,16. Chronische ontsteking van de lacrimale functionele eenheid resulteert in onvoldoende integriteit en functie van de traanfilm, speelt een belangrijke rol in Aqueous Deficiency Dry Eye (ADDE) en kan ook in verband worden gebracht met evaporatief droge ogen (EDE).30 Na refractieve chirurgie kan een neurotrofe component de ogen nog verder uitdrogen en zo de werking van de lacrymale eenheid (op z’n minst tijdelijk) in gevaar te brengen27.

Een andere veel voorkomende bijdrage aan de symptomen en tekenen van droge ogen na refractieve chirurgie, en die aanzienlijk minder aandacht heeft gekregen, is oculaire rosacea.14 Deze pathologie, die de neiging heeft TBUT te verminderen, verergert de symptomen en tekenen van droge ogen na de operatie te verergeren en moet daarom vóór refractieve chirurgie
herkend en behandeld worden .4

Hoe behandelen?

Detectie en behandeling van droge ogen vóór de operatie wordt beschouwd als de optimale behandeling voor door oogchirurgie geïnduceerde droge ogen14,28,29. Topisch cyclosporine A is een zeer effectief behandelingsmiddel gebleken,31 maar kunsttranen en conserveermiddelvrije zalven, omega-3-supplementen, onderhoud van 40-50% vochtgehalte, plugs en zelfs autologe serumdruppels zijn ook nuttige adjuvanten31.

Verder is het ook belangrijk om vóór de operatie de verwante aandoeningen zoals rosacea (met handmatige compressie, doxycycline, azithromycine, bijvoorbeeld) en blefaritis (ooglidhygiëne, antibiotica) te behandelen.

Over het algemeen moet de behandeling van droge ogen (gedurende ten minste 6 tot 8 maanden na de operatie) voortgezet worden. Dit geldt voor elke andere herbehandeling totdat de neurotrofe component is verminderd32. Veel patiënten zonder symptomen of tekenen van droge ogen zullen (na LASIK of PRK) transitoire symptomen van droge ogen ontwikkelen, waarschijnlijk door de neurotrofe effecten van chirurgie4,27,28.

Chirurgische “herbehandeling” wordt vaak geassocieerd met het terugkeren van symptomen en tekenen van droge ogen. Afhankelijk van de ernst van de ziekte moet de behandeling worden geoptimaliseerd met cyclosporine A, kunsttranen en zalven zonder conserveermiddelen, plugs of autologe serum-oogdruppels4,27,32.

Referenties :

  1. The definition and classification of dry eye disease: report of the Definition and Classification Subcommittee of the International Dry Eye Workshop. Ocul Surf 2007;2007(5):75-92.
  2. Jabbur NS, Sakatani K, O’Brien TP. Survey of complications and recommendations for management in dissatisfied patients seeking a consultation after refractive surgery. J Cataract Refract Surg 2004;30(9):1867-74.
  3. Toda I, Asano-Kato N, Hori-Komai Y, Tsubota K. Laser-assisted in situ keratomileusis for patients with dry eye. Arch Ophthalmol 2002;120(8):1024-8.
  4. De Paiva CS, Chen Z, Koch DD, Hamill MB, Manuel FK, Hassan SS, et al. The incidence and risk factors for developing dry eye after myopic LASIK. Am J Ophthalmol 2006;141(3):438-45.
  5. Levinson BA, Rapuano CJ, Cohen EJ, Hammersmith KM, Ayres BD, Laibson PR. Referrals to the Wills Eye Institute Cornea Service after laser in situ keratomileusis: reasons for patient dissatisfaction. J Cataract Refract Surg 2008;34(1):32-9.
  6. Denoyer A, Landman E, Trinh L, Faure JF, Auclin F, Baudouin C. Dry eye disease after refractive surgery: comparative outcomes of small incision lenticule extraction versus LASIK. Ophthalmology 2015;122(4):669-76.
  7. Garcia-Zalisnak D, Nash D, Yeu E. Ocular surface diseases and corneal refractive surgery. Curr Opin Ophthalmol 2014;25(4):264-9.
  8. Toda I. LASIK and the ocular surface. Cornea 2008;27(Suppl 1): S70-6.
  9. Toda I, Asano-Kato N, Komai-Hori Y, Tsubota K. Dry eye after laser in situ keratomileusis. Am J Ophthalmol 2001;132(1):1-7.
  10. Solomon KD, Holzer MP, Sandoval HP, Vargas LG, Werner L, Vroman DT, et al.Refractive surgery survey 2001. J Cataract Refract Surg 2002;28(2):346-55.
  11. Bower KS, Sia RK, Ryan DS, Mines MJ, Dartt DA. Chronic dry eye in photorefractive keratectomy and laser in situ keratomileusis: manifestations, incidence, and predictive factors. J Cataract Refract Surg 2015;41(12): 2624-34.
  12. Patryn EK, Vrijman V, Nieuwendaal CP, van der Meulen IJ, Mourits MP, Lapid-Gortzak R. Indications for and outcomes of tertiary referrals in refractive surgery. J Refract Surg 2014;30(1):54-61.
  13. Lee HK, Lee KS, Kim HC, Lee SH, Kim EK. Nerve growth factor concentration and implications in photorefractive keratectomy vs laser in situ keratomileusis. Am J Ophthalmol 2005;139(6):965-71.
  14. Torricelli AA, Bechara SJ, Wilson SE. Screening of refractive surgery candidates for LASIK and PRK. Cornea 2014;33(10):1051-5.
  15. Murakami Y, Manche EE. Prospective, randomized comparison of self-reported postoperative dry eye and visual fluctuation in LASIK and photorefractive keratectomy. Ophthalmology 2012;119 2012;(11):2220-4.
  16. Ganesh S, Gupta R. Comparison of visual and refractive outcomes following femtosecond laser- assisted lasik with smile in patients with myopia or myopic astigmatism. J Refract Surg 2014;30(9):590-6.
  17. Li M, Zhao J, Shen Y, Li T, He L, Xu H, et al. Comparison of dry eye and corneal sensitivity between small incision lenticule extraction and femtosecond LASIK for myopia. PLoS One 2013;8: e77797.
  18. Wang B, Naidu RK, Chu R, Dai J, Qu X, Zhou H. Dry eye disease following refractive surgery: a 12-month follow-up of SMILE versus FS-LASIK in high myopia. J Ophthalmol 2015; 2015:132-417.
  19. Konomi K, Chen LL, Tarko RS, Scally A, Schaumberg DA, Azar D, et al. Preoperative characteristics and a potential mechanism of chronic dry eye after LASIK. Investig Ophthalmol Vis Sci 2008;49(1):168-74.
  20. Yu EY, Leung A, Rao S, Lam DS. Effect of laser in situ keratomileusis on tear stability. Ophthalmology 2000;107(12):2131-5.
  21. Benitez-del-Castillo JM, del Rio T, Iradier T, Hernandez JL, Castillo A, Garcia-Sanchez J. Decrease in tear secretion and corneal sensitivity after laser in situ keratomileusis. Cornea 2001;20(1):30-2.
  22. Kymionis GD, Tsiklis NS, Ginis H, Diakonis VF, Pallikaris I. Dry eye after photorefractive keratectomy with adjuvant mitomycin C. J Refract Surg 2006;22(5):511-3.
  23. Albietz JM, Lenton LM, McLennan SG. Chronic dry eye and regression after laser in situ keratomileusis for myopia. J Cataract Refract Surg 2004;30(3): 675-84.
  24. Albietz JM, Lenton LM, McLennan SG. Dry eye after LASIK: comparison of outcomes for Asian and Caucasian eyes. Clin Exp Optom 2005;88(2):89-96.
  25. Donnenfeld ED, Ehrenhaus M, Solomon R, Mazurek J, Rozell JC, Perry HD. Effect of hinge width on corneal sensation and dry eye after laser in situ keratomileusis. J Cataract Refract Surg 2004;30(4):790-7.
  26. Shoja MR, Besharati MR. Dry eye after LASIK for myopia: incidence and risk factors. Eur J Ophthalmol 2007 Jan-Feb;17(1):1-6.
  27. Ambrosio Jr R, Tervo T, Wilson SE. LASIK-associated dry eye and neurotrophic epitheliopathy: pathophysiology and strategies for prevention and treatment. J Refract Surg 2008;24(4):396-407.
  28. Battat L, Macri A, Dursun D, Pflugfelder SC. Effects of laser in situ keratomileusis on tear production, clearance, and the ocular surface. Ophthalmology 2001;108(7):1230-5.
  29. Toda I, Kato-Asano N, Hori-Komai Y, Tsubota K. Dry eye after LASIK enhancement by flap lifting. J Refract Surg 2006;22(4):358-62.
  30. Stern ME, Gao J, Siemasko KF, Beuerman RW, Pflugfelder SC. The role of the lacrimal functional unit in the pathophysiology of dry eye. Exp Eye Res 2004;78(3):409-16.
  31. Torricelli AA, M.R.Santhiago, Wilson SE. Topical cyclosporine a treatment in corneal refractive surgery and patients with dry eye. J Refract Surg 2014;30(8):558-64.
  32. Wilson SE. Laser in situ keratomileusis-induced (presumed) neurotrophic epitheliopathy. Ophthalmology 2001;108(6):1082-7.
  33. Moss SE, Klein R, Klein BE. Incidence of dry eye in an older population. Arch Ophthalmol 2004;122(3):369-73.
  34. Cho H, Wolf KJ, Wolf EJ. Management of ocular inflammation and pain following cataract surgery: focus on bromfenac ophthalmic solution. Clin Ophthalmol 2009; 3:199-210
  35. Vehof J, Kozareva D, Hysi PG, Hammond CJ. Prevalence and risk factors of dry eye disease in a British female cohort. Br J Ophthalmol 2014;98(12):1712-7.
  36. Cetinkaya S, Mestan E, Acir NO, Cetinkaya YF, Dadaci Z, Yener HI. The course of dry eye after phacoemulsification surgery. BMC Ophthalmol 2015; 15:68.
  37. Oh T, Jung Y, Chang D, Kim J, Kim H. Changes in the tear film and ocular surface after cataract surgery. Jpn J Ophthalmol 2012;56(2):113-8.
  38. Li XM, Hu L, Hu J, Wang W. Investigation of dry eye disease and analysis of the pathogenic factors in patients after cataract surgery. Cornea 2007;26(9 Suppl 1): S16-20.
  39. Cho YK, Kim MS. Dry eye after cataract surgery and associated intraoperative risk factors. Korean J Ophthalmol 2009;23(2):65-73.
  40. Han KE, Yoon SC, Ahn JM, Nam SM, Stulting RD, Kim EK, et al. Evaluation of dry eye and meibomian gland dysfunction after cataract surgery. Am J Ophthalmol 2014;157(6). 1144-1150-1.
  41. Kasetsuwan N, Satitpitakul V, Changul T, Jariyakosol S. Incidence and pattern of dry eye after cataract surgery. PLoS One 2013;8: -78657.
  42. Ram J, Sharma A, Pandav SS, Gupta A, Bambery P. Cataract surgery in patients with dry eyes. J Cataract Refract Surg 1998;24(8):1119-24.
  43. Chung YW, Oh TH, Chung SK. The effect of topical cyclosporine 0.05% on dry eye after cataract surgery. Korean J Ophthalmol 2013;27(3):167-71.
  44. Liu X, Gu YS, Xu YS. Changes of tear film and tear secretion after phacoemulsification in diabetic patients. J Zhej Univ Sci B 2008;9(4):324-8.
  45. Jiang D, Xiao X, Fu T, Mashaghi A, Liu Q, Hong J. Transient tear film dysfunction after cataract surgery in diabetic patients. PLoS One 2016;11: e0146752.
  46. Sutu C, Fukuoka H, Afshari NA. Mechanisms and management of dry eye in cataract surgery patients. Curr Opin Ophthalmol 2016;27(1):24-30.
  47. Lyne A. Corneal sensitivity after surgery. Trans Ophthalmol Soc UK 1982;102(pt 2):302-5.
  48. Khanal S, Tomlinson A, Esakowitz L, Bhatt P, Jones D, Nabili S, et al. Changes in corneal sensitivity and tear physiology after phacoemulsification. Ophthalmic Physiol Opt 2008;28(2):127-34.
  49. El-Harazi SM, Feldman RM. Control of intra-ocular inflammation associated with cataract surgery. Curr Opin Ophthalmol 2001;12(1):4-8.
  50. Chee SP, Ti SE, Sivakumar M, Tan DT. Postoperative inflammation : extracapsular cataract extraction versus phacoemulsification. J Cataract Refract Surg 1999 ;25(9) :1280-5.
  51. Epitropoulos AT, Matossian C, Berdy GJ, Malhotra RP, Potvin R. Effect of tear osmolarity on repeatability of keratometry for cataract surgery planning. J Cataract Refract Surg 2015;41(8):1672-7.
  52. Mencucci R, Boccalini C, Caputo R, Favuzza E. Effect of a hyaluronic acid and carboxymethylcellulose ophthalmic solution on ocular comfort and tear-film instability after cataract surgery. J Cataract Refract Surg 2015;41(8): 1699-704.
  53. Yao K, Bao Y, Ye J, Lu Y, Bi H, Tang X, et al. Efficacy of 1% carboxymethylcellulose sodium for treating dry eye after phacoemulsification: results from a multicenter, open-label, randomized, controlled study. BMC Ophthalmol 2015; 15:28
  54. Donnenfeld ED, Solomon R, Roberts CW, Wittpenn JR, McDonald MB, Perry HD. Cyclosporine 0.05% to improve visual outcomes after multifocal intraocular lens implantation. J Cataract Refract Surg 2010;36(7):1095-100.
  55. Hamada S, Moore TC, Moore JE, Al-Dreihi MG, Anbari A, Shah S. Assessment of the effect of cyclosporine-A 0.05% emulsion on the ocular surface and corneal sensation following cataract surgery. Contact Lens Anterior Eye 2016;39(1):15-9.
  56. Benitez J et al. Coenzyme Q10 and surgery: the benefit in corneal regeneration – Proceedings of the Symposium held on October 9th, 2017 at the ESCRS Congress, Lisbon, Portugal.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: